1.  De meest relevante punten

  • In Nederland wonen ongeveer 90.000 vrouwen uit landen waar van oudsher VGV gepraktiseerd wordt (o.a. Soedan, Somalië, Eritrea, Egypte, Guinee, Sierra Leone) die een grote kans hebben besneden te zijn.
  • Zij vermelden dit vaak niet zelf en zien niet altijd een relatie tussen besnijdenis en eventuele klachten.
  • VGV kan lichamelijke, psychische en seksuele problemen veroorzaken.
  • VGV (of meisjesbesnijdenis) is in Nederland strafbaar als vorm van mishandeling.
  • Denk aan besnijdenis bij buikpijn, urogenitale klachten en/of menstruatieklachten. Wees alert op een dreigende of recent uitgevoerde besnijdenis bij meisjes voor/na vakanties in thuisland.

VGV komt voor in ten minste 27 Afrikaanse landen, Jemen en de Koerdische autonome regio in Noord Irak. Recentelijk is bekend dat VGV ook voorkomt onder etnische groepen in Iran, Indonesië en Maleisië. Naar schatting zijn wereldwijd 200 miljoen meisjes en vrouwen besneden en lopen er jaarlijks 3 miljoen meisjes het risico om besneden te worden. Zie vgv-wereldkaart.

Volgens een onderzoek van Pharos (2013) wonen er in Nederland naar schatting 29.000 vrouwen die besneden zijn. Hoewel strafbaar, lopen jaarlijks 40 tot 50 dochters van migranten woonachtig in Nederland het risico besneden te worden; voor een deel van deze meisjes wordt het risico pas reëel wanneer zij een bezoek brengen aan het land van herkomst.

VGV vindt meestal plaats in de leeftijd van 4 tot 12 jaar, maar in een aantal culturen al een paar dagen na de geboorte of juist voor het huwelijk.

Het besnijden of bewerken van de uitwendige genitalia van meisjes is een culturele traditie en is verbonden met opvattingen over reinheid, schoonheid, vrouwelijkheid en seksuele moraal. Redenen die gegeven worden voor besnijdenis hangen dan ook vaak samen met het beschermen van de maagdelijkheid en het vergroten van huwelijkskansen. Ouders laten de besnijdenis o.a. uitvoeren om de toekomst van hun dochter veilig te stellen. Besnijdenis is daarmee ook vaak een teken van een goede opvoeding. Vrouwenbesnijdenis berust niet op een religieuze verplichting.

Vormen van besnijdenis: zie tekening

De WHO onderscheidt vier vormen van meisjesbesnijdenis:

  • Type I: Gedeeltelijke of totale verwijdering van de clitoris en/of de voorhuid (clitoridectomie).
  • Type II: Gedeeltelijke of totale verwijdering van de clitoris en de kleine schaamlippen, met of zonder verwijdering van de grote schaamlippen (excisie).
  • Type III: Vernauwen van de vaginale opening door wegsnijden en aan elkaar hechten van de kleine en/of de grote schaamlippen, met of zonder verwijdering van de clitoris (infibulatie).

Dit is de ernstigste vorm, die de meeste gezondheidsproblemen met zich mee brengt, en komt vooral voor bij vrouwen uit Djibouti, Somalië en Noord-Sudan. Veel van deze vrouwen vinden het mooier en hebben zorgen over het ‘gat’ dat overblijft als na een partus hun vagina niet opnieuw wordt dichtgenaaid.

  • Type IV: Alle andere schadelijke handelingen aan de vrouwelijke geslachtsorganen voor niet-medische redenen, zoals prikken, piercing, kerven, schrapen en wegbranden.

Complicaties direct na de ingreep

Korte termijn gevolgen van de besnijdenis kunnen zijn: pijn, bloedverlies met anemie en shock tot gevolg en wondinfecties (soms sepsis, tetanus, HIV-AIDS transmissie). Soms leidend tot fistels of ernstige littekenvorming.

Lange termijn complicaties

Bij vrouwen in Nederland worden we vooral geconfronteerd met de lange termijngevolgen van infibulatie: mictieklachten (m.n. langdurige mictie), pijnlijke cysten, verdikt littekenweefsel waardoor baringsproblemen ontstaan (m.n. wanneer multipara meerdere keren ‘terug’gehecht zijn)  en  menstruatieproblemen of zelfs hematocolpos. Gevolgen voor fertiliteit zijn in onderzoeken onvoldoende aangetoond. In Afrika blijkt een verhoogd risico op keizersnede, postpartum bloedverlies, doodgeboorte en neonatale sterfte.

Veel voorkomende psycho-seksuele klachten zijn: angst voor de huwelijksnacht, angststoornis, PTSS en/of depressie, chronische pijn, dyspareunie en andere seksuele problemen. Veel vrouwen leggen overigens niet snel zelf een relatie tussen hun klachten en de besnijdenis.

Vraag actief, wanneer u een vertrouwensband hebt, naar VGV bij vrouwen uit risicolanden, en naar mogelijke daarmee samenhangende klachten. Toon begrip voor de persoon en de cultuur. Maak hierbij zo nodig gebruik van een vrouwelijke tolk.

Soms is voorlichting gewenst over de relatie tussen (seksuele of psychische) klachten en besnijdenis. De POH –GGZ kan een rol spelen in de voorlichting over deze relatie en het leren omgaan met psychische klachten. In de meeste regio’s zijn VGV sleutelpersonen naar wie verwezen kan worden voor voorlichting en steun. Bovendien zijn op 9 locaties in Nederland VGV spreekuren gevestigd waar besneden vrouwen terecht kunnen om hun klachten te bespreken. (http://www.pharos.nl/documents/doc/folder_2018%20zorg_besneden_vrouwen.pdf)

Informeer zo nodig vrouwen over het Nederlandse verbod op besnijdenis en op re-infibulatie na de partus; na een vaginale baring mag de infibulatie niet worden gereconstrueerd in Nederland (standpunt NVOG 2003) zodat de vulva open blijft tot boven de urethra.

Besteed aandacht aan het risico op besnijdenis bij eventuele dochters van de vrouw. Bij twijfel kunt u laagdrempelig overleggen met de aandachtsfunctionaris VGV bij Veilig Thuis (0800-2000).

Zeker als dochters op vakantie gaan naar het land van herkomst kan het goed zijn als de huisarts ouders actief aanspreekt over VGV en informeert hoe zij staan t.o.v. VGV; of zij dit voor hun dochter overwegen, en wijst op de andere normen en strafbaarheid in Nederland. Dit doen artsen in de jeugdgezondheidszorg ook. Zie hiervoor Modelprotocol Nvog

VGV, FGM, meisjesbesnijdenis, vrouwenbesnijdenis, besnijdenis, urogenitale klachten, menstruatieklachten, bevalling